Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
12 HET IJZER.
aarde, in eene' groote, donkere gevangenis. Een geheel le-
ger van vingerhoeden , die nu wel door de gansche wereld
verstrooid zullen zijn, waren mijne kameraden. Maar geen
van allen kon bij den anderen komen; ieder moest stil blij-
ven, waar hij was. VYij waren toen nog maar gemeen ijzer-
erts, en lagen vormloos en zonder beweging tusschen de
uren-lange rotswanden van onze gevangenis, even alsof wij
er in gegoten waren. Zoo wij het daglicht niet aanschouwd
hadden, zouden wij altijd een hard gesteente zijn gebleven
en nimmer in onze tegenwoordige gedaante de raenschea
hebben kunnen dienen. Lang, ja misschien duizend jaren
zullen wij daar zoo gelegen hebben, toen wij eens een gewel-
dig kloppen aan den dikken muur van onzen kerker hoorden.
Het ging zoo regelmatig, als het tikken van de klok hier
in deze kamer. Ik wilde gaarne weten, wat het was; want
hoewel ik toen nog geen vingerhoed met zoo vele oogen was,
viel ik toch reeds vrij wat nieuwsgierig.
Somtijds hield het tikken en slaan op, maar dan dreunde
er een vervaarlijke donder, zoodat wij allen, ja ook de muren
onzer gevangenis, van schrik ineen krompen. Het kloppen
kwam iederen dag wat nader, en eens vernam ik het zeer
digt aan mijne ooren. Eer ik er aan dacht, dreunde die
vreeselijke donder op nieuw, en onmiddellijk daarop stortte
een stuk muur van onzen kerker in. Vrij van de boeijen,
vloog een deel van ons, in kleine en grootere stukken verbrok-
keld, ik ook, naar buiten; maar door den schrik buitelden
wij, de een hier, de ander daar, over elkander. Hooren en
zien verging mij. Toen ik weder tot mij zeiven kwam, zag
ik mannen voor mij staan, die lampen in de hand hadden
en iti het zwart gekleed waren. Op het hoofd droegen zij
een graauwen vilten hoed zonder rand, en eenige van hen
hadden spitse ijzeren staven en hamers in de handen.