Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET PAABD.
95
vaker. Maar onze knieën werden allengs strammer, en 't
was ons nu niet meer mogelijk, om groote afstanden in een
bestendigen draf af te leggen. Daarom werden wij uit onze
betrekking ontslagen en tot werkpaarden verlaagd; in plaats
van de koets, moesten wij nu den mestwagen trekken. Een
ruwe knecht sloeg ons dikwijls zonder reden, en ook het
voeder werd ons in veel kleinere hoeveelheden en van eene
mindere soort toegedeeld. Hadden wij in vroegeren tijd nu
en dan wel eens een' rustdag, thans moesten wij alle dagen
arbeiden. Wij vemgtten ons werk, zoo goed wij konden,
tot aan ons zeventiende jaar, toen werd mijn makker ziek
en stierf na weinige dagen.
Destijds heb ik menig heeten traan gestort over het ver-
lies van den vriend, met wien ik zoo lang te zamen had
geleefd en gezwoegd; maar ach! hoe dikwijls heb ik later
bij mij zeiven gedacht: o, ware ik ook maar met hem ge-
storven; want nu nam mijn lijden verschrikkelijk toe. Het
landgoed van mijn' heer lag op eene hoogte, waarin men
een diepen put had gegraven. Het opwinden van het water
moesten de oudste paarden verrigten, onder wier getal ik
nu werd opgenomen. W'ij losten elkander alle vier uur
in deze slavendienst af; wie aan de beurt was, werd aan
eenen paal gespannen en moest gedurende dezen tijd steeds
in een kleinen kring rondloopen. In den beginne werd ik
dikwijls duizelig van de aanhoudend rondgaande beweging
en bleef dan stilstaan, om weder wat tot mij zeiven te ko*
men; maar eene schel, die slechts zoo lang klingelde, als ik
liep, Avas mijn verklikker bij den opzigter, wiens zweepslagen
mij dan op nieuw deden voortsukkelen. Drie jaren lang heb
ik dezen zuren arbeid verrigt, en daarbij meermalen vurig
naar den dood verlangd, als ik daar zoo in de eenzaamheid
mijn treurig lot overpeinsde. Op zekeren dag was ik weder