Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
HET PAAKD.
te voeden; den hond geeft men het genadebrood ; maar het
paard , welks vleesch slechts in weinige landen gegeten wordt,
moet arbeiden tot aan zijnen dood. Waarlijk, wanneer menig
paard spreken kon, zoo zou het ons een bedroevend tafereel
schetsen van zijn lijden en verdriet, en vele menschen zonden
dan over hunne hardheid en ondankbaarheid blozen. Het verhaal
van zijne levensgeschiedenis zou dan misschien aldus luiden:
„In mijne jeugd was ik de lieveling van een' rijk heer.
Wanneer hij een pleizierridje wilde maken, liet hij mij uit
den stal of uit de weide halen, een fraaijen zadel opleggen
cn een kostbaar met zilver en glinsterende steenen versierd
hoofdstel aandoen; en dan sprong hij op mijn' rug, en ik
snelde met hem voort door veld en woud , over bergen en
door dalen, — nu eens in den draf, dan weder in galop.
Door deze beweging werd ik meesttijds wel wat hongerig;
maar bij onze terugkomst kreeg ik ook het voortreffelijkste
voeder en dikwijls zoo veel, dat ik alles niet eten konde.
Mijn heer vleide mijne eerzucht door zijne liefkozingen en
door de lofspraken, waarmede hij mij bij zijne vrienden
overlaadde. Zoo ging het, tot ik ongeveer mijn zevende le-
vensjaar had bereikt. Toen reed hij eens met mij uit, en
zie, nu had ik het ongeluk over een door mij niet bemerk-
ten steen te struikelen. Daarover werd mijn meester ver-
schrikkelijk toornig, stiet mij de sporen in de zijde en
schreeuwde woedend uit: „Wacht, beest, gij schijnt traag
en stijf te worden; gij zult niet langer de eer hebben mij
te dragen!" En op denzelfden dag werd ik tot koetspaard
vernederd. Mijn makker, die nagenoeg even oud was, en
ik werden nu voor een prachtig rijtuig gespannen, waarin
onze lieer soms verre reizen deed. Nog werden wij, over
't geiieel. genomen, vrij goed behandeld; doch voelden even-
wel dikwijls de zweep, en, hoe ouder wij werden, des te