Boekgegevens
Titel: Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Auteur: Hiecke, Robert Heinrich; Brugsma, Berend
Uitgave: Te Groningen: bij J.B. Wolters, 1861
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4599
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202691
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Schetsen uit het natuurleven: een leesboek voor scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET PAARD. 93
wij redelijke menschen er ook niet vrij van zijn. Grooten-
deels moeten die echter toegeschreven worden aan de behan-
deling en opvoeding, die hun van de menschen ten deel is
gevallen. Zoo maakt veel sl aan de paarden koppig; dezul-
ken kan men dikwijls niet van de plaats krijgen; beproeft
men dit, zoo bijten ze om zich heen en slaan achteruit.
Andere zijn uitgelaten vrolijk en maken door dartele sprongen
hunne berijders tot zandruiters. Nog andere zijn schichtig
en bevreesd voor onderscheidene voorwerpen, b. v. voor wind-
molens of zeilende schepen. Van alexander den groote
wordt verhaald, dat hij als knaap er eens bijstond, toen een
buitengewoon schoon, doch wild paard zijns vaders gedres-
seerd zou worden, Maar ieder ruiter, die het besteeg, werd
afgeworpen, ja, velen kwamen niets eens in den zadel, en
niemand wist, wat de oorzaak van die koppigheid was. Toen
verzocht alexander zijnen vader, om ook eens eene proef
in het werk te mogen stellen, 't welk hem werd toegestaan.
De omstanders lachten. Alexander plaatste het paard met
het gezigt naar de zon, sprong er ijlings op en rende er
spoorslags mee voort. Allen verwonderden, velen ergerden
zich nu; de vader echter verheugde zich over zijn stoutmoe-
digen zoon en schonk hem het paard. De verstandige knaap
had opgemerkt, wat alle anderen ontgaan was, dat het paard
voor zijne eigene schaduw schrikte, en daarom had hij het
zóó geplaatst, dat het die niet konde zien.
Wanneer men nu in aanmerking neemt, hoe vele en ge-
wigtige diensten het paard den mensch bewijst, zoo zou men
vermoeden, dat deze het daarvoor ook dankbaar zoude zijn,
en echter is dat zoo niet; want van alle huisdieren heeft ze-
ker het paard in zijnen ouderdom het treurigste lot. De koe,
die geen melk meer geeft, en de os, die ons niet meer als
trekbeest kan dienen, worden geslagt, om ons met hun vleesch