Boekgegevens
Titel: Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: J.H. en G. van Heteren, 1863
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4054
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202685
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
Goede God! och', doe mij leven,
Zoo als JEZUS heeft gedaan,
En wil mij het kwaad vergeven,
Dat mijn jongheid heeft begaan.
JANTJE, TOEN HU STOUT WAS GEWEEST.
Ach mij! ik was van daag zoo stout,
En zou nu bijna vreezen,
Dat moeder nooil weêr van mij houdt;
Wat zou dat aaklig wezen!
O ! 'k ben zoo naar en ongerust,
En heb in spel noch eten lust.
Maar wacht ik weet een goeden raad;
'k Zal gaauw naar moeder loopen,
En vraag vergeving voor het kwaad;
Dan kan ik zeker hopen.
Dat, als ze ziel hoe 't mij berouwt,
Ze weêr op nieuws van jantje houdt.
HET ONWEDER.
het kind.
O! hoor eens den donder; wat is het een weêr;
Wat schoot daar dc bliksem ontzaggelijk neêr;
Hoe zweepen de boomen, hoe zwart is dc lucht!
O, moeder! ik beef zoo en ben zoo beducht.