Boekgegevens
Titel: Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: J.H. en G. van Heteren, 1863
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4054
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202685
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
BEDILZUCHT.
Pietje stond eens, met zijn' makker,
Bij een' landman op den akker,
Toen die juist, met volle hand,
Boonen zaaide op 'tvruchlbaar land.
Pietje sprak : »Wat domme man !
»Zeker weet hij nergens van;
»Ilad iiij eenig overleg,
»Nooit wierp hij zijn boonen weg."
'tBoerljc sprak toen onder 't zaaijen:
jiKind.' na 'I zaaijen volgt het maaijen;
»led're boon daar op het land
»Geeft er zeker naderhand
»Veertig, vijflig, of nog meer,
»In den blijden oogsttijd weér^
»Zeg, onnoozel knaapje' zeg,
»Werp ik dan mijn boonen weg?"
Toen sloeg pietje de oogen neder
En zei: »Borrtje! 'k zal niet weder
iOp hel werk van oude lién
»Zoo bedillend nederzicn.
« *
Hij, wiens oordeel dwaaslijk gaal
Over 'l geen hij niet verslaat,
En, uil domheid, andren smaalt.
Wordt met schande cn spot betaald.