Boekgegevens
Titel: Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: J.H. en G. van Heteren, 1863
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4054
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202685
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
HET DEÜRTJESCIIELLEN.
»Kom laat ons eens deurijcschelipn,
i)En zoo iianl als moogiijk bellen!
»Een, twee, diie en wij zijn ^oorl!
»Gaat dc deur der woning open,
«Dan zijn wij al weggeloopcn.
ulSiemand die ons ziet of hoort."
Zoo riep frits , en opgetogen,
In zijn ijver voorlgevlogen,
Schelt hij dat het davert, aan.
Maar van beelren geest doordrongen,
Sprak zijn zusje: »Sloule jongen!
»Waartoe al dat kwaad gedaan?
»Moogt gij door dat wilde schellen,
»Andren maar zoo goedsmoeds kwellen!
»Slaat het in den Bijbel niet,
»Dat wij onzen medemenschen
»Moeten doen, wat wij ook wenschen,
»Dat door hen aan ons geschiedt.'"
Toen begon zich fhits te schamen.
En zij keerden rustig zamen ,
Naar hun ouders woning weer:
FitiTs won van zijn levensdagen
Nooit zijn' medeinensch weer plagen,
En hij deed het ook niet méér.