Boekgegevens
Titel: Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: J.H. en G. van Heteren, 1863
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4054
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202685
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Vorige scan Volgende scanScanned page
5
HET DIERENPLAGEN
Nooit zal ik hot wagen,
Dc <liemi te plagen;
Al is het een mier:
Door liefde gedreven.
Gaf G«»d hnn het leven,
Hij mint ook het dier.
Hij wil ze behoeden,
En dagelijks voeden ,
En zou dan ren kind,
Zijn vreugd er in stellen ,
Dc dieren Ie kwellen ,
Die God zoo bemint.
Wat knapen het wagen.
De dieren Ie plagen,
Ik doe het loch niet,
Laat and'ren maar pralen.
Ik zal het wel laten,
Wat God mij verbiedt.
DE GROOTSTE WREEDHEID.
SoPHïETJE schijnt velen gevoelig en leer;
Ze zou ook een dicrije nooit plagen;
Al doet van haar poesje hel pooïje maar zeer
Men hoort haar het beestje beklagen.