Boekgegevens
Titel: Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: J.H. en G. van Heteren, 1863
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4054
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202685
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Vorige scan Volgende scanScanned page
4
HET VLOEKEN.
Hoor ik Gods naam oniccrcn,
Door vloeken cn door zweren.
Mijn loeder liurljc beefl.
Wie is me als kind toch nader.
Dan God, mijn beste Vader,
Die me alles, alles geeft.
Foei! foei! dat snoode vloeken!
God zal hem eens bezoeken,
Die Zijnen naam onleert.
'k Wil steeds mijn" Schepper roemen.
Zijn naam met eerbied noemen,
Gelijk zijn Woord mij lee rt.
KWAADSPREKENDHEID.
Steeds heeft Heintje kwaad te spreken,
Dan van jan cn dan van piet ,
Hij mogt waarlijk dal wel laten,
Want ach! zelf deugt heintje niet.
Laat hij maar op zijn gebreken
Eens wat meer naauwlellend zien,
Dan zal iiij geen kwaad meer spreken,
iXu van dezen dan van dien.