Boekgegevens
Titel: De voornaamste bepalingen en wetten in de anorganische scheikunde: met vraagstukken, die er op betrekking hebben
Auteur: Enklaar, Johannes Eliza
Uitgave: Deventer: W.F.P. Enklaar, 1895
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3581
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202656
Onderwerp: Scheikunde: anorganische chemie: algemeen
Trefwoord: Anorganische chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De voornaamste bepalingen en wetten in de anorganische scheikunde: met vraagstukken, die er op betrekking hebben
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
No. 38. Onderphosphorigzuur i.s éénbasisch. Strookt dit
met de volgende uitkomsten van thermochemische bepalingen
van Thomsen: Vj grammolecule natriumhydroxyde gevoegd bij
één grammolecule van het zuur geeft 76,9 K., 1 grammolecule
van het eerste bij 1 grammolecule van het tweede geeft
151,6 K.; 2 grammoleculen van het eerste ontwikkelen met
1 grammolecule van het laatste 152,7 K.
Thomsen vond, dat het toevoegen van 1 grammolecule
natriumhydroxyde bij 1 grammolecule zwavelzuur 146 K. en
van 2 gram moleculen van het eerste bij 1 grammolecule van
het laatste 310 K. deden ontstaan. Toevoeging van meer
natriumhydroxyde gaf geen warmte meer. Een gram molecule
salpeterzuur geeft met 1 grammolecule natriumhydroxyde 136,8 K.
Meer van het laatste gaf geen warmte.
Toevoeging van 1 grammolecule natriumhydroxyde b^ 1
grammolecule phosphorigzuur geeft 148 K., die van een tweede
grammolecule van het eercte geeft opnieuw 136 K., terwijl
een derde grammolecule van de base slechts 5 K. bij de
reeds verkregene voegt.
Wat is uit al deze feiten af te leiden betreffende de basiteit
der verschillende zuren ? Geeft bij de bovenstaande meerbasische
zuren de neutralisatie der verschillende aequivalenten van hetzelfde
zuur evenveel warmte?
§ 11 en 12. No. 39. Men brengt 100 gr. ijzer in aanraking
met een overmaat van verdund zwavelzuur en natrium met een
overmaat van water. Hoeveel gi-am van het laatste moet men
nemen om evenveel waterstof te verkrijgen als in het eerste
geval? Hoeveel aluminium kan dezelfde hoeveelheid waterstof
uit kokende loog ontwikkelen. Men denke aan het aansluiten
der vergelijkingen.
No. 40. Men bluscht 2,8 gr. zuiveren bijtenden kalk met water
en voegt er 280 cM^ normaal salpeterzuur bij. Hoeveel cM^ normaal
natronloog heeft men noodig, om deze vloeistof te neutraliseeren?
Hoeveel cM^ normaal zwavelzuur worden er vereischt om
de loog te neutraliseeren door de werking van 5 gr. natrium
op water ontstaan?