Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
LES 3.
■vervolg der voorgaande.
De klinkers a, i en w zijn in de uilspraak kort of lang; de c en o
hebben een zachtkort of zachtlang, scherpkort o[ scherplang
de a is korl in dag, lang in dageJi ;
de i is kort in min, lang in mijn;
de u is kort iii dun, lang in muur;
de e is zachikorl in de, zachllang in breken, schei'pkort in snel,
scherplang in beenen;
de O is zachtkort in dom, zachllang in moijen, scherpkort in s/o/,
scherplang in hroodcn.
Medeiilinkers zijii die letters, welke niet zonder een klinker kun-
nen uitgesproken worden.
Daar de mensch door middel van de keel, tong, lippen en fawrfen oor-
spronkelijke klanken vormt, zoo verdeelt men de medeklinkers in :
keel-letiers; als: ch. g, h, en k.
tonp-Ietlors; als : d, t, j, n, 1, en r.
lip-lcUers; »Is: h, p. f, m, v en w,
taniUIeliers; als: s en z.
Uit de zanienvoeging vnn letters ontstaan lettergrepen, en eene, of
meer lettergrepen bij elkander gevoegd, vormen een woord; bijv. boek,
ia-fel, mor-gen'Stond enz.
LES 4.
benige spelregelen.
De a en « worden aan bet einde van eene lettergreep nimmer
verduMield. zoo als: daden, maken, muren, sturen, enz.
De ^ en O worden veidubbeld, wanneer zij een scherplang geluid
helihen ; zoo ais: deeler, sleenen, boornen, koopen, enz.
Met de zècht'iange of enkele e schrijve men:
1. Alle ongelijkvloeijende werkwoorden waarin die klank in de vervoe-
ging voorkomt, als: lezen, las, schrijven, geschreven, liggen, gelegen»
2. De lar.pstaartige werkwoorden, d. i. die twee korte lettergrepen op
hel einde hehben; als: bedelen, benevelen, rekenen. Hiervan zijn
uitgezonderd die woorden, welke van* naamwoorden met eene scherp-
lange e afkomen; als: beeedigen van eed, beleedigen, sleenigen, ver-
eenigen, ook teekenen enz.
3. De woordpn, waarin de lange e verkorting of verscherping duldt;
als: even, effen, nevens, neffens, keten, ketting, enz.
4. Hpt meervoud van die woorden, welke in het enkelvoud descherp-
korle e hehben; als: bevelen van bevel, gebeden van gebed, enz.
5. liet meervond van die woorden, welke in bet enkelvoud op heid
nilgaan ; als: goedheid, goedheden, enz.
6. Hel meervond van die woorden, welke in het enkelvoud een an-
deren klinker hehben ; als: stad, steden, schip, schepen, enz.