Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
boud {atoutf ondernemend)
Digt {geiloten)
dog {groote kond)
drenken {het vee drinJten geven)
Kgt {ijan éggen)
Feit {eene daad)
Gan» {een "VOgel)
gebed {'van bidden)
geene {niet een)
gelag {vertering)
geld {rnunt)
geslagt {van slagten)
graad {gedeelte -van een cirkel)
Hard {niet zacht)
hei {woeste grond)
houd {van houden)
ÏJ {zeker water)
ijken {merken)
Kies {groote tand)
kennen {weten)
Lag {van liggan)
leggen {werking)
leiden {geleiden)
ligt {niet zwaar)
lig ten {optillen)
log {niet vlug)
Mei {de meimaand)
meid {dienstbode)
mild {milddadig)
moed {dapper)
mos {een plantgewas)
Na {achter, later, iets dat volgt)
Deigen {ergens toe overhellen)
nog {bovendien)
Porselein {aardewerk)
pond {gewigt)
peil {.peilen, de dieptel^onderzoeken)
Kad {snel, een wiel)
rieken {geur geven)
rei {koor)
rein {zuiver)
reizen {naar eene andere plaats)
reiken {met de hand, bertiken)
Sein {teeken)
slagten {slaan)
steil {regtstandig)
Toren {gebouw)
Veil {te koop)
vleijen {streelen)
bont {lamêbout, ijzeren nagel)
Dicht {dichtstuk, vers)
doch {maar, echter)
drinken {den dorst lestchen)
Echt {huwelijk, trouw)
Fijt, yijt {zweer aan de toppen der
vingers)
Gansch {geheel)
gebet {van betten)
gene {deze, die)
gelach {van lagchen)
gelt {onvruchtbaar)
geslacht {soort)
graat {van een visch)
Hart {van een mensch)
hert {dier)
hij {pers» voorn.)
hout {van boomen)
e» {eijeren)
eiken {boomen)
Kiesch f^bijv. n.w.)
kunnen {vermogen)
Lach {van lagchen)
liggen {rust)
lijden {smart gevoelen)
licht {niet duister)
lichten {licht geven)
loch {een gat)
Mij (pers, v.n.w.)
mijd {van mijden, ontgaan)
mijt {bloedeloos diertje)
milt {deel van 's menschen ligchaani)
moet {vlek, smet, van moeten)
mnsch, musch {vogel)
{volgens, tot, naar eene plaats)
nijgen {buiging van het ligchaam)
noch {niet, geen")
Postelein (groente)
pont {vaartuig)
pijl {waarmede men schiet)
Rat {een dier)
ruiken {met den neus)
rij {reeks)
Rijn {rivier)
rijzen {naar de hoogte gaan)
rijken {een staat, veel geld)
zijn {bezit, v.n.w. , werkw.)
slachten {gelijken)
stijl {stut, schrijjstijl)
Toorn {gramschap)
Vijl {zekere soort van rasp)
vlijen {schikken, voegen)