Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
Dc Iweedc toekomende tijd stelt eene werking voor, die nog geschieden
moet op den tijd waarin men spreekt; maar verleden zal zijn in den tijd
waarvan men spreekt. Ik zal geschreven hebben, als gij terug ge-
komen zult zijn.
LES 19.
voorbeelden van vervoeging.
Het hulpwerkwoord Hebben.
1. ONBEPAALDB■ Wm --
1. Tegenwoordige tijd, hebben. fWED. WU8. V. ONO. eO OPV. |
2. Verledene tijd, gehad hebben. p "
3. Toekomende tijd, te zullen hebben. ^ SCHOOLIWUSEUIVI
DEELWOORlteN,
Tegenwoordig deelw, hebbende. f AMSTERDAM
Verleden deelw. gehad. —----
U. AANTOONENDE WIJS. III. AANVOEGENDE WIJS.
I. Tegenwoordige tijd.
Enkelvoud.
1. Ik heb, 1. Dat ik hebbe,
2. Gij h«bt, 2. w gij hebbet,
3. Hij heeft. 3. „ hij hebbe.
Meervoud.
1. Wij hebben, 1. Dat wij hebben»
2. G9 hebt, 2. w gij hebbet,
3. Zg hebben. 3. u lij hebben.
2. Onvolmaakt verleden tijd.
Ik had. Wij hadden. Dat ik hadde. Dat wij hadden,
Gq hadt. Gij hadt, 0 gij haddet, u gg haddet.
Hij had, Zg hadden. v hij hadde, h sij hadden.
3. Volmaakt verledene tijd.
Ik heb gehad, enz. Dat ik gehad hebbe, enz.
4. Meer dan volmaakt verleden tijd.
Ik had gehad, e»z. Dat ik gehad hadde, enx.
5. Eerste toekomende tijd.
Ik zal hebben. Dat ik zoude hebben,
Gq zult hebben, a gij zoudet hebben.
Hg zal hebben, » hij zoude hebben.
Wij zullen hebben, u wg zouden hebben,
Gg zolt hebben, tr gij loudet hebben,
Zq zullen hebben. it zQ zouden hebben.
2