Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
7. De woorJeii welke op heiJ, de, te, sl, es, nis en uw ciniiigen ; alfr
wijsheid, liefde, hoogte, dienst, zondares, ergernis, schaduw, Öp nis
zijn uitgezonderd: het vonnis en iiel vernis.
8» De zelfsl. naamw. die van deu onvoimankt verleden lijd der werkw.
afgeleid zijn; als- spraak, tnagl, enz.
9. De meeste baslnardwoarden op ie en teit; als infanterie, societeit.
Van bet onzijdige geslacht zijti:
1. Alle namen van landen, sleden en dorpen: het Europa, het volk-
rijke Amsterdam. Behalve dezulke die een lidwoord voor zich heb-
ben ; als: de Helder, de Beemster, den Haag.
2. Alle verkieinwoonlen ; als; het kindje.
3. Alle werkw. en bijvoegelijke na»mw. als zelfstandig gebruikt; als:
het goede, hot lezen.
A. De meeste woorden, die eene slof of erts aanduiden; als: hel ^^ourf,
hel graan, het laken.
5. De woorden op dom eindigende, wanneer zij een ligchaam of eene
verzameling aanduiden ; als : hel chrisfendom.
6. Alle woorden die op sei eindigen, voorafgegaan door den wortel van
een werkw. als: het baksel, het brouwsel, t^m.
7. Alle woorden clie op te eindigen, het voorvoegsel ge hebben en van
een naamwoord afgeleid zijn; als: geboomte, gedierte, enz.
8. De woorden die op ij eindigen, welke met het voorzetsel ge van
werkw. gemaakt zijn; als, geiij, gerij.
Alle woorden, waarvoor men het kan zetten, zijn van het onzijdige
geslacht.
Gemeenslachtige zelfsl. naamw. zijn die, welke mannelijk zijn alszij
voor een man, en vrouwelijk als zij voor enne vrouw gebruikt worden;
als, echtgenoot, vondeling, vreemdeling, erfgenaam, enz.
LES 9.
OVER Uli naamvallen.
Naamvallen zijn de onderscheidene betrekkingen, waarin de zelf-»
ständige naamwoorden voorkomen.
De Nederland sehe taal heeft vier naamvallen, den eersten, tweeden,
derden en vierden naamval.
Een zelfstandig naamwoord staat in den eersten naamval, als het
voorkomt als:
1. Werkende, het kind leert, 2. Lijdende, de man wordt beloond.
3. Wordende, de man ivordt rijk. 4. Zijnde , de jongen is (goed. 5,
aangesproken , mijn Heer l
Ook staan de zelfsl. naamw. in den eersten naamval, wanneer zij
als hoofd gebruikl worden.
1.1 den tweeden naamval, wanneer twee naamwoorden bïj elkander
gevoegd zijn, om het eene door het andere te bepalen, bijv. de zoon
(welke zoon) des koopmans, het woord koopman slaat dus in den/«*<?«-
den naanival. Hij duidt den bezitter of de bezitting aan.