Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. XXIII. 81
met mij reisden, omsch^'nende, ü En als wij
allen ter aarde nedergevaïlen waren, hoorde ik
eene stem, tot mij sprekende, en zeggende in
de Hebreeuwsche taal: Saul, Saul! wat ver-
volgt gij mij! het is ii hard tegen de prikkels
de verzenen te slaan. Ey zeide; wie zijt
gij, Heere'if En hij zeide: ik ben Jezus , dien
gij vervolgt. 16 Maar rigt u op, en sta op u-
we voeten; want hiertoe ben ik u verschenen,
om u te stellen tot eenen dienaar en getuige der
dingen, beide die gij gezien hebt, en in welke
ik u nog zal verschijnen; verlossende u van
dit volk, en van de heidenen, tot'welke ik u
nu zende, 18 om hunne oogen te openen en hen
te bekeeren van de duisternis tot het licht, en
van de magt des Satans tot God; opdat zij Ver-
geving der zonden ontvangen , en een erfdeel
onder de geheiligden, door het geloof in mij.
Daarom, O kotiing Agrippa! ben ik dat he-
melsch gezigt niet ongehoorzaam geweest; 20 maar
heb e.erst dengenen, die te Damaskus waren,
en te Jeruzalem, en in het geheele land Van Ju-
dea, en den heidenen verkondigd, dat zij zich
zouden beteren, en tot God bekeeren, werken
doende der bekeering waardig. 21 Om dezer za-
ken wil hebben mij de Joden in den tempel ge-
grepen , en gepoogd om te brengen. 22 Dan
hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot
op dezen dag , betuigende beiden , klein en groot;
niets zeggende buiten het geen de Profeten en
Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude.
23 Namelijk, dat de Christus lijden moest , en
dat hij de eersfe uit de, opstandig der dooden
zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke,
en den beidenen. ^n ails hii deze dingen tot
verantwpording sprak, zeide Festus met groote
0. St. 6