Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
B Hand. XXV. 79
I nigen mensph uit gunst ter dood over te geven,
I eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoor-
Sdig heeft, en plaats van verantwoording gekre-
gen heeft over de beschuldiging. 17 Als zij dan
gezamenlijk alhier gekomen waren., zoo ben ik ,
geen uitstel nemende, des daags daaraan, op
den regterstoel gezeten , en beval, dat de man
zou voorgebragt worden. Over welken, de
beschuldigers, hier staande, geene zaak hebben
voorgebragt, daarvan ik vermoedde. 19 Maar zij
hadden tegen hem eenige vragen van hunne gods-
dienst ^ en van zekeren Jezus, die gestorven
was, welken Paulus zeide te leven. 20 En als
ik' over de onderzoeking van deze zaak in twij-
fel was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeru-
zalem , en aldaar over deze dingen geoordeeld
worden? 21 En als Paulus zich beriep, dat men
hem tot de kennis des Keizers bewaren zoude,
zoo heb ik bevolen , dat hij bewaard zou wor-
den ter tijd toe, dat ik hem tot den Keizer zen-
den zou.
22 En Agrippa zeide tot Festus : ik wilde ook
zelf dien mensch wel hooren. En hij zeide:
morgen zult gij hem hooren. 23 Des anderen
daags dan, als Agrippa gekomen was, en Ber-
nfce met groote pracht, en als zij ingegaan wa-
ren in het regthuis met de Oversten over dui-
zend , en de mannen, die de voornaamsten der
stad waren , werd Paulus , door Festus bevel,
voorgebragt. 24 En Festus zeide; koning'A-
grippa, en gij mannen allen, die met óns hier
tegenwoordig zijt! gij zitt dezen, van welken
mij de gansche menigte dër Joden heeft aange-
sproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende,
dat hij niet meer behoort te leven ! 25 Maar ik,
bevonden hebbende, dat hij niets, des doods