Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. XXIII. 78
bragt worden. ' En als hij daar gekomen was,
stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen
waren, rondom hem, vele en zware beschuldi-
gingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet
konden bewijzen. 8 Dewijl hij, verantwoorden-
de , zeide: ik heb noch tegen de v.'et der Jo-
den , noch tegen den tempel , noch tegen den
Keizer iets gezondigd. 9 Maar Festus , willende
den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus
en zeide: wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en.
aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld wor-
den? En Paulus zeide; ik sta voor den reg-
terstoel des Keizers , daar ik geoordeeld moet
worden; den Joden heb ik geen onregt gedaan,
gelijk gij ook zeer wel weet. n Want indien ik
onregt doe , en iets, des doods waardig, gedaan
heb , ik weiger niet te sterven ; maar indien er
niets is van het geen, waarvan deze mij beschul-
digen , zoo kan niemand mij, hun uit gunst o-
vergeven. Ik beroep mij op den Keizer! 12 Toen
antwoordde Festus, als hij met den Raad gespro-
ken had: hebt gij u op den Keizer beroepen,
gij zult tot den Keizer gaan !
Paulus voor Agrippa.
13 En als eenige dagen voorbij gegaan waren,
kwamen de koning Agrippa en Bernfce te Cesa-
réa , om Festus te begroeten. 14 En toen zij
aldaar vele dagen overgebragt hadden, heeft Fes-
tus de zaken- van Paulus aan den koning ver-
haald , zeggende: hier is een zeker man van Fe-
lix gevangen gelaten; is om wiens wil, als ik
te Jeruzalem was, de Overpriesters en de Ou-
derlingen der Joden verschenen , begeerende von-
nis tegen hem. 16 Aan dewelke ik antwoordde,
dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, ee-