Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. XXIII. 74
Brief van Claudius Lysias aan den Stadhouder
Felix.
26 Claudius Lysias aan den magtigsten Stad-
houder Felix, gro'etenis!
27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen was,
en van hen omgebragt zoude geworden zijn,
ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk,
en heb hem hun ontnomen, mij berigt zijnde,
dat hij een Romein is. 28 En willende de zaak
weten, waarover zij hem beschuldigden, bragt
ik hem af in hunnen Raad. 29 Welken ik be-
vond beschuldigd te worden ever vragen hun-
ner wet; maar geene beschuldiging tegen hem
te zijn, die des doods of der banden waardig is.
30 En als mij te kennen gegeven was, dat van
de Joden eene lage tegen dezen man gelegd zou-
de worden, zoo heb ik hem terstond aan u ge-
zonden , gebiedende ook den beschuldigers voor
u te zeggen het gene zij tegen hem hadden.
Vaarwel!
Paulus overgebragt naar Cesaréa.
31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen
was, namen Paulus, en bragten hem des naclits
te Antfpatris. 32 pn des' anderen daags, laten-
de de ruiters met hem trekken, keerden zij we-
derom naar de legerplaats. 33 Dewelke, als zij
te Cesaréa gekomen waren, en den brief den
Stadhouder overgeleverd hadden , hebben zij ook
Paulus voor hem gesteld. 34 En de Stadhou-
der, den brief gelezen hebbende, vraagde, uit
welke provincie hii was , en verstaande, dat hij
van Cilicië was, 3» zeide hij: ik zal u hooren,
als ook uwe beschuldigers hier zullen gekomen