Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. XXIH. 71
zeide tot liem: zeg mij, zijt gij een Romein?
En liij zeide: ja! 28 Én de Overste antwoord-
de : ik heb dit burgerregt voor eene groote som
gelds verkregen. En Paulus zeide: maar ik ben
een burger geboren. 29 Terstond dan lieten
zij van hem af, die hem zouden onderzocht
hebben. En de Overste werd ook bevreesd,
toen hij verstond , dat hij een Romein was, en
dat hij hem had gebonden. 30 En des anderen
daags, willende de zekerheid weten, waarom hij
van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem
los van de banden , en beval, dat de Overpries-
ters en hun geheele Raad zouden komen. En
Paulus afgebragt hebbende j stelde hij hem voor
hen.
Paulu» voor den Joodschen Raad.
XXIII. 1 En Paulus, de oogen op den Raad
hoijdende, zeide: mannen broeders! ik heb met
alle goede conscientie voor God gewandeld tot
op dezen dag. 2 Maar de Hoogepriester Anani-
as' beval dengenen, die bij hem stonden, dat zij
hem op den mond zouden slaan. 3 Toen zeide
Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte
wand! Zit gij ook, om mij te oordeelen naar de
wet, en beveelt gij , tegen de wet, dat men
mij zal slaan? 4 En die daar bij stonden zei-
den : scheldt gij den Hoogenpriester Gods?
5 En Paulus zeide : ik wist niet, broeders ! dat
het de Hoogepriester was ; want daar is ge-
schreven : den Overste uwes volks zult gij
niet vloeken. 6 En Paulus, wetende, dat het
ééne deel was van de Sudduceën , en het ande-
re van de Farizeên , riep in den Raad: mannen,
broeders! ik benzeen Farizeër, eens Farizeërs
zoon, ik word over de hoop en opstanding der