Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. XXVllI. 70
wasschen, aanroepende den naam des Heeren.
l'En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem we-
dergekeerd was, en in den tempel bad, dat ik
in eene vertrekking van zinnen was; 18 en dat ik
hem zag, en hij tot mij zeide: spoed u , en ga
in haast uit Jeruzalem, want zij zullen uwe ge-
tuigenis van mij niet aannemen. 19 En ik zei-
de : Heere ! zij weten , dat ik in de gevangen/s
wierp, en in de synagogen geeselde , die in u
geloofden, 20 En toen het bloed van Stefanus,
uwen getuige, vergoten werd, dat ik daar ook
bij stond, en mede een welbehagen had in zij-
nen dood, en de kleederen bewaarde dergenen,
die hem doodden. 21 En hij zeide tot mij: ga
heen; want ik zal u ver tot de heidenen af-
zenden.
fVoede der Joden tegen Paulus.
22 Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en
zij verhieven hunne stem, zeggende: weg van
de aarde met zulk eenen: want het is niet be-
hoorlijk, dat hij leve! 23 En als zij riepen, en
de kleederen van zich smeten , en stof in de
lucht wierpen; 24 zoo beval de Overste, .dat
men hem in de' legerplaats zou brengen, en zei-
de, dat men hem met geeselen onderzoeken zou-
de, opdat hij verstaan mogt, om wat oorzaak
zij alzoo over hem riepen. 23 En alzoo zij hem
met de riemen uitrekten, zeide. Paulus tot den
Hoofdman over honderd, die daar stond : is het
ulieden geoorloofd eenen Romeinschen mensch ,
en dien onveroordeeld te geeselen? 26 Als nii
de Hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij
toe en boodschapte het den -Overste, zeggende:
zie, wat gij te doen hebt! want deze mensch is
een Romein. 27 En de Overste kwam toe, en