Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. XXIII. 66
gingen ook sommigen der discipelen van Cesa-
réa, leidende met zich eenen zekeren Mnason van
Cyprus , eenen ouden discipel, bij welken wl
zouden te huis liggen, En als wij te Jeru-
zalem gekomen waren, ontvingen ons de broe-
ders blijdelijk.
Paulus doet eene gelofte.
18 En den volgenden dag ging Paulus met ons
in tot Jakobus; en al de Ouderlingen waren
daar gekomen. En als hij ze gegroet had,
verhaalde hij, van stuk tot stuk, wat God on-
der de heidenen door zijne dienst gedaan had,
20 En zij, dat gehoord hebbende, loofden den
Heer; en zeiden tot hem: gij ziet, broeder!
.hoe vele duizenden van Joden daar zijn, die ge-
looven ; en zij zijn allen ijveraars van de wet,
21 En hun is aangaande u berigt, dat gij al de
Joden, die onder de heidenen zijn, leert "var
Mozes afvallen, zeggende : dat zij de kinderer
* niet zouden besnijden, noch naar de wijzen dei
\vet wandelen. 22 vVat is er dan te doen? He:
is gansch noodig, dat de menigte te zatnen ko'
me; want zij zullen hooren, dat gij gekomer
zijt. 23 Doet dan het geefi wij u zeggen: wi
hebben vier mannen, die eene gelofte {vat
Nazireërschap) gedaan hebben. 24 Neem dezf
tot u, en heilig u met hen , en doe de onkostei
{f!er O fers) nevens hen, op dat zij het hoofd be
■scheren mogen; en allen mogen weten, dat e
niets is aan het geen, dat hun, aangaande u, be
rigt is ; maar dat gij al2oo wandelt, dat gij ooi
zelf de wet onderhoudt. 25 Doch van de heide
nen, die gelooven, hebben wij geschreven ei
goedgevonden, dat zij niets dergelijks zouden on
derhouden, dan dat zij zich wachten van He