Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. XXIII. 52
meenende, dat de gevangenen ontvloden wa-
ren. 28 Maar Paulus riep met groote stem, zeg-
gende: doe u zeiven geen I^vaad; want wij zijn
allen hier! 29 En als hij licht geeischi had,
sprong hij in en werd zeer bevende, en viel
voor Paulus en Silas neder aan de voeten. 30 En
hen buiten gebragt hebbende, zeide lyj: o lieve
heeren ! wat moet ik doen, opJat ilv zah'g wor-
de ? 31 En zij zeiden: gelonf in den lieer
zus Christus, en gff zult zalig worden , gij en
uw huis. 32 En zij spraken tot hem het woord
des Heeren, en tot allen, die in zijn huis wa-
ren. 33 En hij nam hen tot zich in dezelfde u-
re des nachts, en wiesch hen van de striemen ;
en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.
34 En hij bragt ze in zijn huls, en zette hun
de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met
al zijn huis aan God geloovig geworden was.
35 En als het dag geworden was, zonden de
Hoofdmannen de stads-dienaars , zeggende: laat
die menschen los! 36 En de siok-bewaardei:
boodschapte deze woorden aan Paulus, zeg-
gende: de Hoofdmannen hebben gezonden, dat
gij zoudt losgelaten worden; gaat dan nu uit,
èii reist henen in vrede. 37 Maar Paulus zeide
tot hen ; zij hebben ons, die Romeinen zijn,
onveroordee'd in het openbaar gegeeseld, en in
de gevangenis geworpen; en werpen zij ons nu
heimelijk daaruit? niet alzoo! maar dat zij zelve
komen, en ons uitleiden. 38 En de stads-die-
naars boodschapten deze woorden wederom den
Hoofdmannen. En zij werden bevreesd , hoo-
rende , dat zij Romeinen waren. 39 En zij,
komende, baden hun, en als zij ze uitgeleid had-
den , begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zou-
den. 40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis,