Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. XXIII. 23
de kamerling zeide; zie daar water; wat verhin-
dert mij gedoopt_te worden ? 37 En Filippus zei-
de: intiien gij van ganscher Iiarte gelooft, zoo
is het geoorloofd En hij, antwoordende, zeide:
ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon Gods is.
38 En hij gebood den wagen stil te houden; en
zij daalden beiden af in het water, zoo Filippus
als de kamerling en hij doopte liem.
Bekecring van Saxdus , daarna Paulus geltecten.
IX. 1 En Saulus, blazende nog dreigingen en
moord teget^ de discipelen des Heeren, ging tot
den Hoogenpriester, 2 en begeerde brieven van
hem naar Damaskus aan de synagogen , opdat,
zoo hij eenigen, die van dien weg {^godsdiensi)
waren, vond, hij dezelve, beide mannen en
vrouwen , zoude gebonien brengen naar Jeruza-
lem. 3 En als hij reisde is het geschied, dat
hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen
snelüjk een licht van den hemel, * En ter aar-
de gevallen zijnde, hoorde hij eene stem, die
tot hem zeide: Saul, Saul I wat vervolgt gij
mij? 5 En hij zeide: wie. zijc gij, Heere? En
de Heer zeide: ik ben Jezus, dien gij ver-
volgt. Het is u hard, de verzenen tegen de
prikkels te slaan. 6 En hij, bevende en ver-
baasd zijnde, zeide: Heere! wat wilt gij, dat ik
doen zai? En de Heer zeide tot hem: sta .op,
en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd wor-
den, wat gij doen moet. 7 En de mannen, die
met hem over weg reisden, stonden verbaasd ,
hoorende wel de stem, maar niemand ziende.
8 En Saulus stond op van de aarde, en als hij
zijne oogen opende, zag hij niemand. En zij,
hem bij de hand leidende, bragten hem naar
Damaskus. 9 En hij .was drie dagen, dat hij