Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. Vni. 21
de van zich zeiven, dat hij wat groots was!
10 Welken zij allen aanhingen van den kleine tot
den groote, zeggende: deze is de groote kracht
Gods! En zij hingen hem aan, omdat hij
eenen langen tijd met tooverijen hunne zinnen
verrukt had. 12 Maar toen zij Filippus geloof-
den , die het Evangelie van het koningrijk Gods,
en van den naam van Jezus Christus verkondigde,
werdep zij gedoopt, beide ma^nnen en vrouwen.
13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt
zijnde, bleef hij gedurig bij Filippus; en zien-
de de teekenen en groote krachten, die daar
geschiedden, ontzette hij zich. 14 Als nu de
Apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden,
dat Samaria het woord Gods aangenomen had,
zonden zij tot hen Petrus en Johannes. 15 De-
welke afgekomen zijnde, baden voor hen, dat
zij den Heiligen Geest ontvangen mogten. '16 Want
hij was nog op niemand van hen gevallen, maar
zij waren alleenlijk gedoopt in den naam des
Heeren Jezus. 17 Toen leiden zij de handen op
hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest. 18En
als Simon zag, dat, door de oplegging van de
handen der Apostelen, de Heilige Geest gegeven
werd, zoo bood hij hun geld aan, 19 zeggende:
geeft ook mij deze magt, opdat, zoo wien ik
de handen oplegge, hij den Heiligen Geest ont-
vange! 20 Maar Petrus zeide tot hem: uw geld
zij u ten verderve! omdat gij gemeend hebt, dat
de gave Gods voor geld verkregen wordt. 2i Gij
hebt geen deel noch lot in dit woord: want uw
hart is niet regt voor God. 22 Bekeer u dan
van deze uwe boosheid, en bid God, of mis-
schien u deze overlegging uwes harten verge-
ven worde! 23 Want ik zie, dat gij zijt in eene
gansch bittere gal, en zamenkn ,ooping der on-