Boekgegevens
Titel: Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Deel: 9e stukje Geschiedenissen uit de Handelingen der apostelen, beschreven door Lukas
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Zutpen: W.J. Thieme, 1838
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2701
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202640
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bijbelsch leesboek: bevattende een uittreksel der geschiedenissen, voorkomende in de boeken des O. en N. verbonds, woordelijk overgenomen uit de gewone vertaling des bijbels
Vorige scan Volgende scanScanned page
Hand. IH. 10
de bij de regterband, rigtte hij hem op, en ter-
stond werden ziine enkelen en voeten vast. 8 En
hij, opspringende , stond en wandelde, en ging
met hen in den tempel, wandelende en springen-
de , en lovende God. 9 En al het volk zag hem
wandelen en God loven, lo En zij kenden hem,
dat hij die was, die om eene aalmoes gezeten
had aan de Schoone poort des tempels; en zij
werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting
over het geen, dat hem geschied was. En
als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan
Petrus en Johannes vast hield, liep al'het volk
gezamelijk tot hen in het voorhof, het welk Sa-
lomons voorhof genoemd wotdt, verbaasd zijnde.
Redevoering van Petrus tot het volk, in den tempel.
12 En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het
volk : gij Israëlitische mannen! wat verwondert
gij u over dit? of wat ziet gij zoo sterk op
ons, als of wij door onze eigene kracht of god-
zaligheid dezen hadden doen wandelen? 13 De
■God Abrahams , Isaks en Jakobs , de God onzer
vaderen , heeft zijn kind Jezus verheerlijkt, wei-
kén gij overgeleverd hebt, en hebt hem verloo-
chend voor het aangezigt van Pilatus , als hij oor-
deelde, dat men hem zoude loslaten. 14 Maar gij
hebt den heilige en regtvaardige verloochend , en
hebt begeerd, dat u een man, die een doodsla-
ger was , zoude geschonken worden, l^ En den
Vorst des levens hebt gij gedood, dien God
heeft opgewekt; waarvan wij getuigen zijn. 16 En
door het geloof in zijnen naam , heeft zijn naam
dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het
geloof, dat door hem is, heeft hem d^ze vol-
maakte gezondheid gegeven, in u aller tegen-
woordigheid. 17 En nu, broeders! ik weet dat