Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
zei Melissus; maar dat ding is toch eigenlijk geen
poëzij. — Hierover wil ik gaarne op een anderen tijd met
u spreken, antwoordde ik; maar Bilderdijk zou vreemd op-
gezien hebben, zoo gij hem verteld hadt, dat zijn nooit ge-
noeg geprezen, maar ook al te weinig gelezen Ziekte der
Geleerden, geen poëzij was! Hij toont er zoo veel kennis
in, zeggen deskundigen: hij had er zoo veel voor nage-
slagen, zoo veel, vooral in zich zeiven, opgemerkt, om al
die akelige kwalen zoo uitvoerig te kunnen schilderen. —
Ja maar, zei Melissus, de episoden zijn eigenlijk het
poëtische gedeelte. — Wil dat zeggen, Melissus! vroeg
ik, dat hij aan het geheele gedicht gewerkt heeft, behalve
aan de episoden: dat hij somtijds dacht: „nu zal ik eens
uitblazen," en dan eene episode in zyn gedicht maakte?
Ik kan het niet goed beoordeelen. Melissus! omdat ik geen
dichter ben; maar mij dunkt, dat hij ten minste aan de
twee eerste en twee laatste verzen van zulk eene episode
een weinig moet gewerkt hebben, om ze in verband te
brengen met het onderwerp. Zou men welligt eene uitzon-
dering m.oeten maken, en zeggen, ^dat het leerdicht, de didac-
tische poëzij, een poëtische studie, een poëtische arbeid is?" —
Ik geloof waarlijk, dat daar iemand aankomt, zet Melissus,
opstaande: — wij zagen toe. —
— Ach neen, riep ik: ga maar zitten: het is een blee-
kershond: dat beest zal niet rondvertellen, dat wij hier
gezeten hebben. Zit maar gerust, en wees niet bang. Gij
zit ook op den sprong, als of gij ter sluip buiten de be-
legerde stad, bij de voorposten der Spanjaarden gekomen
waart. — Ik twijfel, antwoordde Melissus, of deze bank
hier toen reeds gestaan heeft. — Indien zij er toen reeds
gestaan heeft, zeide ik, dan is zij eene antiquiteit: en zoo
zij eerst beroemd moet worden, nadat wij er op gezeten
hebben, dan zal men er in latere eeuwen nog mede
dweepen. — Ik verkies op deze bank niet aan het nage-