Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
in den omtrek zie, sta ik op. Het is immers hier geen
gewoonte, dat men aan den weg op een bank zit? —
Zit maar gerust, zeide ik, en laat uw oog eens weiden
over die ruime vlakte. — Over die grasvelden, vroeg
Melissus, met een weinig bevreemding: en op die brug,
daar in de verte? — Ja, mijn lieve Melissus! door zulke
gezigten werden Poot en meer andere dichters bezield en
verrukt. Of houdt gij landbouw en veeteelt voor ondich-
terlijk? — Zoo iets zult gij mij niet ligt hooren zeggen,
antwoordde hij: ieder onderwerp, mits het niet onedel en
laag zij, is dichterlijk voor den waren dichter. Maar, in
allen gevalle, hoe middelmatig schoon dit natuurtooneel
ook Zij, ik adem hier toch vrijer, en het is mij een genot,
dat ik met den rug naar de stadswallen gekeerd zit. —
Ik wist wel. Melissus! antwoordde ik, dat gij op deze
bank nog genieten zoudt: het gaat mij, even als u: indien
ik geen stedeling was, zou ik een buitenman wezen. —
Dat laat zich hooren, zei Melissus; maar voor hem, wiens
geest hooger gestemd is, wiens hart behoefte heeft aan
edel genot, is het eeuwig aanschouwen van menschenwerk,
met al zijn bekrompen formen, met al zijn kinderachtige
sieraden, met al zijn wanstaltigheden, een walg. Het ge-
woel, het gekvuis van bezigheid en beroep: in de week
het razen en hameren en rammelen van eén hoop men-
schen, die op elkander gepakt leven, en, op de feestdagen,
de wansmaak van het wandelende gemeen, dat zich op-
schikt, en in dien opschik zoo regt gemeen is, en linksch
in al zijn bewegingen....; och neen! op die grasvlakte
en op die koebeesten rusten mijn oog en mijn gemoed! —
— Gij spreekt ook van niets, dan van kalmte en rust,
waarde Melissus! zeide ik: komt dat van de poëzij, die
geen werk voor u is? — Gij hebt mij beloofd, antwoordde
hij, dat wij dat onderwerp daar zouden laten. Zeer zeker zou
het landleven voor mij geen ideaal van luiheid wezen. Er