Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
wanneer ik een betoog schrijf, dan heb ik zeker gehjk, en
dan is het nog erger. Hebt gij ooit iemand iets hooren
betogen, en te gelijk bekennen, dat hij het niet goed wist,
of ongelijk had ? — Nu, dat mag zoo wezen, zei Melissus;
maar ik vind het toch verkeerd, dat gij de dialogen zoo
in de mode brengt: zij passen in onze tijden niet. Wij
zijn, in onze eeuw van vastere kennis en zekerder weten-
schap, aan betogen gewend: en ik geloof, dat gij aan een
dialoog den voorkeur geeft, omdat zulk een opstel u min-
der moeite kost. — Dat is eene andere vraag, antwoordde
ik; maar hoe minder werk, des te nader bij de poëzij, niet
waar? — Gij beuzelt, zeide hij: ik heb bezigheid in de
stad, en ik verlaat u bij deze poort. — Dat is onmensche-
lijk, Melissus! riep ik: gij slaat mij dood, en wilt mij niet
ééns begraven! Wandel nog één singel met mij. Ik beloof
u, dat ik niet Socratisch met u spreken zal, of het moest,
bij ongeluk en door uw eigen schuld, zoo uitvallen. So-
cratische gesprekken kan iedereen houden en maken: en
inhoud van het uitstekende.—Melissus liet zich overhalen. —
Wat is het mooi weer! zeide ik. — Ja, antwoordde
Melissus: — er volgde een korte stilte. — De wolken
komen goed te pas, als er geen lommer is, zei Melissus. —
Dat is ook zoo, antwoordde ik: — er was alweêr stilte.
Het ging met ons gesprek, als met een wagen, die in eens
buiten het staande spoor, in het rulle zand geraakt: het
wilde niet voort. Ik geloof dat het door verlegenheid
kwam, dat ik het zonderlinge voorstel deed, om op een
bank aan den kant van het water te gaan zitten.
— Ik vertrouw u niet, zei Melissus: gij wilt weder
een tooneel uit Plato vertoonen, met een Ilissus achter
ons, en platanussen boven ons hoofd. — Wel nu, ant-
woordde ik: indien onze woorden niet beter uitvallen
dan de decoratien, dan hebt gij niets te vreezen. — Van
de wandelaars zekerlijk, antwoordde hij: zoodra ik er