Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
iedere gemoedsaandoening, als iedere verrukking, als
ieder gezigt. Want de verbeelding is een gezigt: zij is
een blik van den geest in zichzelven: in wiens verhoog-
den toestand allerlei formen van kennis en weten-
schap en rede zich schakeren tot .beelden en groepen,
die het oog des verstands aanschouwen moet, en daarom
nog minder werkzaam is, dan het ligchamelijk zintuig
des gezigts: want uwe oogen moet gij open houden,
zoo lang gij een voorwerp buiten u aanschouwen wilt. Of
is het gevoel misschien een arbeid? het gevoel, dat geen
werking hoegenaamd kan aanduiden, omdat het eene vat-
baarheid, prikkelbaarheid, een lijden, of een genot is! Het
verwondert mij, dat gijlieden de dichters zegt te begrijpen:
juist omdat gij zelve geen dichters zijt, begrijpt gij het
wezen der dichtkunst niet. —
Ik beken, dat deze redevoering, die bijna in éénen adem
uitgesproken werd, mij onthutste. Het viel mij zoo onver-
hoeds op het Ijjf: en (om de waarheid te zeggen) het ver-
nederde mij, dat ik zoo werken en zwoegen moest, om iets
gerings tot stand te brengen: terwijl eene andere kunst of
gaaf of talent, dat de wereld in verrukking zet, geen
moeite hoegenaamd kostte.
Mijn lieve Melissus! zeide ik, ik benijd u die echte
Italiaansche weelde, dat dolce far niente der kunst. Ik wil
gaarne over dit onderwerp met u spreken; maar dan moet
gij niet zoo veel achteréén zeggen: want dat brengt mij
in de war. — Wel ja, antwoordde hjj: misschien wilt gij
een Socratisch gesprek met mij op touw zetten, hier op
oen buitensingel! Ik laat mij liefst niet voor den gek
houden: en daar zou het ligt op uitloopen, zoo gij Socra-
tes nadeedt. Mogelijk wilt gij zelfs ons gesprek opschrij-
ven en in uwe Maatschappij voorlezen! Zoo gij iets over
dit onderwerp te schrijven hebt, maak er een betoog van;
maar moei er mij niet in. — Ja maar. Melissus! zeide ik: