Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
onbekende drukjaar van verscheiden incunabelen ontdekt.
— Neen maar, zeide hij, ik bedoel, dat mijn verbeel-
dingskracht levendiger werkzaam was, en dat ik het
onderwerp door een echt poëtisch prisma bekeek.
— Ja wel, antwoordde ik: ik begrijp u zeer goed.
Zonder een gunstige stemming van den geest kan geen
letterkundig werk van de hand gaan. Met mij was het
óók, als of iemand achter mij stond en mij influisterde:
nu moet gij dit geschrift indien: nu moet gij dat boek
naslaan: nu moet g|j in dat register zoeken: en al schei-
dende en verbindende kwam ik tot de waarheid, en die
wezenlijke arbeid kostte my bijna geen moeite,
— Er volgde eenige oogenblikken stilte, zoodat ik, in
mijne eenvoudigheid, de zaak al voor afgedaan hield, en
een ander gesprek over de laatste nieuwstijdingen wilde
beginnen.
— Och neen, zei Melissus eindelijk: gij weet dat ik
achting heb voor de soort van studiën, waarvan gij spreekt,
en waarin gij zoo voorspoedig gewerkt hebt; maar ik ver-
wachtte van u niet, dat gij ze op ééne lijn zoudt stellen
met de... . (hij zocht een woord) met de werking van
liet poëtisch vermogen. Die soort van verwarring heeft
een noodlottig misverstand doen ontstaan omtrent het wezen
der poëzij. Yan daar de verzenmakers en verzenlijmers,
en de zinspreuk van een poëtisch gezelschap: hunst wordt
door arbeid verkregen: eene uitvinding der flaauwhartige
XVIIlde eeuw, toen men dichtstukken zat te maken, om-
ringd van spraakkunsten, woordenboeken, en rijmlijsten, en
zelfs het mechanismus der prosodie vergeten had, waarvan
Vondel en de dichters van zijnen tijd zich zoo meesterlijk
bedienden. Maar er ontbrak geest en ziel aan de ge-
wrochten der voorgaande eeuw. Of zijn de twee groote
ingredienten der poëzij niet verbeelding en gevoel? En is
verbeelding een tcerk? Zij is evenmin een arbeid, als