Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
en arbeid in één adem! — Gij zult bij weinigen goedkeu-
ring, bij velen bevreemding, en bij sommigen verontwaardi-
ging opwekken. De weinigen, die goedkeuren, zijn voor
het grootste gedeelte dezulken, die niet juist weten wat
poëzij is, en volgens den regel, onbekend maakt onbemind,
er niet veel om geven; maar evenwel, wanneer zij een
dichtstuk zien of hooren, in stilte denken: wat moet dat
een moeite kosten! of, hoe krijgen zij het zoo bij malkaar!
Zij die u hunne bevreemding toonen, hebben wel achting
voor de dichtkunst, maar zij loopen niet hoog met de
dichters. De dichtstukken lezen zij gaarne in oogenblikken
van verpoozing en uitspanning: maar de dichters houden
zij ten naastenbij voor doenieten, wier talent zoo vreemd
is van werkzaamheid, dat zij dikwijls onbruikbaar worden
in de industriële maatschappij, en datgene verzuimen, wat
zeker niet zonder arbeid verkregen wordt, levensonderhoud
voor hen en de hunnen.
De verontwaardiging, eindelijk, zult gij op het gelaat
van sommige enthusiasten lezen. Het woord arbeid voert
hun al wat ligchamelijk, stoffelijk, aardsch, vergankelijk
is, voor de gedachte; — en de poëzij is geestelijk, aethe-
risch, onvergankelijk!
Of er nog een vierde soort is, die gaaf en talent in
zich zelve weten te onderscheiden, en wanneer zij deze
vereenigd in zich werkzaam voelen, van het denkbeeld
eener matige werkzaamheid niet huiveren,... dit durf ik
nü nog niet te beslissen; maar met de eersten wensch ik
niets te doen te hebben. De zin, waarin zij het woord
arbeid opvatten, is aanstootelijk en onedel. Men kan er
zelfs het denkbeeld eener beweging van armen en beenen
en van het zweet des aanschijns niet van afscheiden.
Zij, die ik in de tweede plaats genoemd heb, zouden ligt
te bestrijden zijn, indien zij het verdienden. Zoo men hun
tegenwierp, dat zij dichtstukken lezen in oogenblikken van