Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
Daer zijnder die ick self somwijlen by my roep,
En noodese te gast, te weten beid' haer' ooren.
Om wat ick by geval gebaert hebb t' overhooren.
En na haer wetenschap doorkeuren met geduld.
En geven my hier eens wat eer, en daer wat schuld.
Hoe soet is my die slagh van med' en tegenspreken.
En hoe veel vind ick my van soo soet volck gebreken!
Daer tegen wat zijns' ons tot quelling, leed en pijn
Die by geboorte van ons gilde niet en zijnj
En hoe klein is 't getal van die men met twee ooren,
'kSegg ooren van begrip, begaeft vind en gebooren!
Ey lieve belght u niet dien 't schijnt ick by gevall
Met sulcken toenaem tot uw oneer overvall.
De kloeckste van verstand, lett wel, de meeste kloecken.
Ja de staet-kundigste, door eigen aerd, of boecken.
Heb ick in 't ongevoel, gelijck als blinde lien
Van verwen, tusschen goed en quaed geluyd gesien.
Ick heet het een geheim, dewjjl my wyser monden
Bekennen dat sy 'tniet en weten^te dooigronden.
Soud ick mijn moeite dan aen luyden van dien slagh
Op dringen, dien ick doof en ongevoeligh sagh
Van stemm en snaeren toon ? te weten soud ick preken
Voor menschen die my maer en sien en hooren spreken
En hebben van de tael geen' kennis die. ick spreeck?
Ick haet het, als sy my, die 'ck maer het hoofd en breeck
Als ick mijnselven doe. Best laeten w" ons met vreeden.
En ghy, oorkundighe, weest welkom, dien ick reden
Van doen en laten geef; als die alleen kont sien
"Waer ick der meesteren of prijs of straf verdien.
Cluys Werclc, V. 504—532.
Men ziet het — de duisterste onzer Dichters (Huygens is
er niet zelden voor uitgekreten) behoorde tot die Zangers,
welke hunne uitdrukking zorgvuldig wogen en lang over-