Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
Die 'k alles machtigh vond, na dat het jong gewricht
Luijt-machtigh was gemaeckt, daer 't altemael voor swicht.
Noch bleef ick niet voldaen: 't verveelde my copye
Yan mijns geljjck te zijn: en, als ick 't recht belije
Ick hiel mijn' hand te goed, ja voelde my te sterck
Om niet als aep te zijn van ander luijden werck.
Cluys-Werck, V. 437—464.
Wenscht gij niet, dat de Hollandsche Musici onzer dagen
een weinig van die zucht voor het oorspronkelijke aan
den dag legden, zoo in de wijsjes als in de liedjes, welke
onze Maatschappijen bekroonen ? Of zal ooit de Toonkunst
eenigen invloed op ons Volk uitoefenen, wanneer de
fallacious theory opgang maakt, dat inheemsche toestanden
geene bruikbare stoffe opleveren ? Wij zouden zoo gaarne
in den Zang eene Priesteresse der Volksbeschaving hul-
digen, wanneer wij slechts overeenstemming zagen tusschen
het doel en de middelen!
Huygens klimt van de Muzijk tot de Poëzij op, en,
koutende bestevaar als hij in dit gansche Dichtstuk blijft,
somt hij aardig op, hoe velerlei hij geschreven heeft.
Verbazend mag het aantal zijner Schriften heeten, wanneer
men er bij in aanmerking neemt, dat hij zich, onder het
opstellen van deze, zestig jaren lang van zijne hofdienst
kweet, eene taak, die hij met naauwgezetheid waarnam.
Of wij allen, die het zoo druk hebben, en toch zoo weinig
leveren, er ons aan spiegelden!
Maar wij hebben Huygens nog in een ander, nog in
een alleropmerkelijkst licht te zien, in zijne verhouding
tot de kritiek. Zoo wij uit de Zeestraet reeds ver-
moedden, dat hij deze een luisterend oor leende, hoe
worden wij er in bevestigd door de volgende plaats: