Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
van het gemoed van Huygens in zijne jonkheid en in
zijnen ouderdom, de plaats over een gebrek zijner oogen
in het vers: Gedwongen Onschuld; mijnen Vijand Vrede,
vergelijken met Cluys-werck, v. 416—432, in welke laatste
zulk een aandoenlijk besef zijner afhankelijkheid van God
spreekt; wij kiezen, ten bewijze, dat geen gebrek aan zin
voor andere geneugten hem zoo veel met zijne boeken deed
ophebben, eene bijdrage tot de geschiedenis zijner opvoe-
ding. Het is zijne liefhebberij in zang en muzijk, een zin,
in die dagen bij de jeugd reeds vroeg ontwikkeld, door
de wiegedeuntjes, welke men den kleinen voorzong:
Soet' ouders, die verstont hoe goed voor alle dingen
Den Heere lofsang is aendachtelijck te singen.
En geen onorden self te brengen in sijn' kerck,
Allom d'onkundigen haer onbeschaemde werck.
Ick hebber boven u geen' meester toe versleten,
't Geen icker eerst af wist heb ick door u geweten.
En u vermaeckte 't welgeluckte kinds-gesangh
Met meerder moeijte niet als van sess weken lang.
Tot d' Engelsche viool noch andere sess weken;
Doe quam de luyt: daer viel wat langer mé te spreken
Voor korte vingeren op sterck en stracker snaer.
Van seven duerde dat tot aen myn negenst' jaer,
Uyt was de leerery, en ick swom sonder biesen
Op eigen houtje, schip en goed, winst en Verliesen.
Waer toe 't gekomen is, en hoe die hall van snee
In 't rollen is gegroeit, brengt d' ondervinding mé.
Een boogh, een vinger-werck en kost my niet versaden.
Mijn' heete toon-lust most in wijder weelde baden,
Clavier op yser en op coperdraed', op tinn
Tot pypen uijtgesmeedt, dat wonderlick versin
Theorbes lang gedarmt, en uijt der Mooren landen
Guitarre, bastard luijt, vermanden ick met handen
I
J ^JCê, i ^ '