Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
Daer kan ick mé verzadight zyn.
Sommeer ick al dit natt en drooghe,
Het is soo kleinen hoop in 't ooghe •
Dat, als 't my yemand schenken wouw,
Mij dunckt ick lang bedenken souw,
Eer icker danck voor wilde seggen.
Laet ons nu t' samen overleggen,
Gastvrye vriend, diens ick beken
Dat ick de gunst niet waerdigh ben.
Wat al dancks ick u heb te weten
Van dat ick niet t' huys heb gegeten:
Dat is, bij u versaedt mijn' maegh,
Als aen mijn' tafel alle daegh.
Noch gaet die danck maer halver weghe,
Quyt ick my alles dings ter deghe,
Ick moet u hondert streken doen
Met hoed en hand, en been en schoen.
De somm nochtans daer van wy seijden
Is soo gering voor een van beiden.
En, 'tzy van d' uw, of van de mijn'.
Het sou soo slecht 'en schotel zyn.
Dat ick de danck-moeyt houw verlooren,
Soo uyt mijn mond, als in uw' ooren.
En dat wy beter onsen lust
Voldeden yder in zyn' rust.
Ick weet niet hoe 't by u gestelt is,
Maer, naer 't hier boven op getelt is,
'k Maek t'uwent, en t'huys oock goed cier:
Dan t' uwent valt het my te dier.
Wilt ghy dan gast-vry wesen, zyt het,
En als ick 't oock wil wesen, ]ydt het;
Soo blyven wij van gastery
Ick vry als ick, ghij vry als ghij.
Cluys-Werck, V. 263—304.