Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
Het is een blijk der humaniteit, welke wij wèl zouden
doen van hem te leeren, — het was de wijze van zien,
die onze Vaderen tot de stichting van zoo menig hofje
aanspoorde. „In onze dagen," schreef onlangs een uitheemsch
vernuft, „is er schier geen andere band meer tusschen
„heer en knecht, dan dat de eerste bezoldigt en beveelt,
„en de andere zijn loon naar zich strijkt en gehoorzaamt;
„het zedelijke gezag is vernietigd, — het vertrouwen
„zoowel verdwenen als het toezigt." En ofschoon de donkere
trekken — waarmede hij voortgaat de maatschappij te
zijnent in dit opzigt af te schaduwen — bij ons niet van
overdrijving zouden zjjn vrij te pleiten, want de dienstbare
stand levert in ons Vaderland der lijfstraffelijke regtspleging
nog niet, zoo als zij het in Frankrijk doet, de langste lijst
van misdadigers op; — de onbescheidenheid — het gebrek
aan allen zin voor het welvoegelijke — het toenemende
zedenbederf, dat hij bij de afhankelijken opmerkt, vielen
zij u ten onzent nooit in het oog? Gij zult slechts toe-
stemmend kunnen antwoorden, maar ons ook eene andere
vraag vergunnen. Zou de schuld dier ontaarding, zou het
volslagen verbreken van den band, die weleer het gansche
burgerlijke gezin plagt te omstrengelen, zou die heillooze
vervreemding louter aan knecht en meid, niet ook ten
deele aan vrouw en heer te wijten zijn? Wie herschiep
de maatschappij — het graauw of de gemeente ? Sinds de
zeden in dit opzigt alles, wat naar het aartsvaderlijke der
hooge Oudheid zweemde, volslagen hebben verloren; —
sinds zelfs de band van gemeenschappelijk belang, onder
het Leenstelsel tot trouwhartige genegenheid veredeld,
gewelddadig is verscheurd; — sinds de edele zelfopoffering,
die de namen van zoo vele knapen en leerlingen, in de
historie van de opkomst der Burgerijen, der onsterfelijk-
heid waardig maakte, in het vergeetboek geraakte, door
de onverschilligheid waarmede men allengs zijne minderen