Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
het Hof, zegt hij, zijne woning omstreeks twee uren na
den noen weder in, en vindt er, zoo als hij het kernig
uitdrukt: „Spraeeke noch spreker;" — het zedig zwygen
zijner dienstboden van beiderlei kunne behoort tot de
gaven, die hem in deze het liefst zijn. Daarop wordt ons
het gezag van het hoofd des huizes aanschouwelijk ge-
maakt door ééne enkele veêr, die in het uurwerk alle
andere drijft, door de schikking Gods, die slechts één
hoofd op ieder lijf heeft gesteld. „Ma dat ééne niet alles
„stiert en regelt," zegt hij, „dan worden lijf en leden, dan
„worden huis en stad en kerk ontroerd:"
Tot mijnent weet ick die wanorder te vermyden
Door niet gemeensaems van myn' dienstige te lyden,
Geen' weerspraeck, geen bedill: maer soo sacht en gedwee
Houd ick dien teugel op, als of ick 'tniet en de'e.
Oock, siende my ontsien, ontsien ick my te minder
Het nieuwe van de straet, of staten hier en ginder
Te hooren opperen, door een bedientes mond,
Dien 't sonder mijn gedoogh niet voeghelijck en stond:
Want (segg ick tegens my) wat heeftse toch bedreven,
Die minder menschlickheit, daer om sy slaevigh leven,
En my bedienen moet? en waerom ick niet haer?
Heeft haer voorouderen van over menigh jaer,
Gemeen' of eigen ramp soo heftigh overloopen,
Dat het kindskinderen als met den hals bekoopen,
En slaven onder mijn' bevelen moeten zgn,
Dier bloed ontwylFelick soo goed is als het mijn,
Kan ick daermede min als medelijden hebben,
En denckende rond om aen 's werelds vloed en ebben,
Beduchten dat de kans kan keeren alle dagh,
En sij haest dat ick ben, ick dat sy werden magh?
Chiys-Werck, Y. 189-208.
Aan dien trek herkent men Huygens!