Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
zwakke pogingen beschaamd zien door hun uitvoeriger
schetsen, hunne grondiger opmerking, hunne veelzijdiger
kennis. Lulofs heeft in zijne studie van Vondel, heeft
in vele zijner overige Werken, doorslaande blijken gegeven,
dat voor hem ten minste de leerstoel geen leuningstoel is!
Het is vooral als Autobiographist, dat Huygens stoffe
te over ter beschouwing aanbiedt; zij zal vruchtbaar wezen
in evenredigheid der moeite, der liefde er aan besteed;
aan Constantyn is niets, wat menschelijk heeten mag,
vreemd. Uit zijne Vita propria, uit zijne vroegere Schriften,
weten wij reeds, dat hij ons geene bekentenissen heeft te
doen, zoo als Cellini of Rousseau er deden. De eeuw,
waarin hij leefde; het volk, waaronder hij geboren werd;
zijne opvoeding, zjjn stand, zijn roem, waarborgen ons, dat
hij geene sluipmoorden te vertellen, geen verstooting van
kinderen goed heeft te praten. Hjj is onlangs ten onzent
met Montaigne vergeleken; maar de viugtigste inzage van
beider Werken volstaat, om Huygens onder de menigte
van Auteurs te rangschikken, in welke wij den Schrijver
zien, terwijl Montaigne (volgens de hier door ons overge-
nomene uitspraak van Montesquieu) „Denker bljjkt." Inder-
daad, noch de eeuw, welke beide groote mannen scheidt, —
noch het verschil tusschen de luchtstreek van het zuidelijke
Frankrijk en die van ons nevelig Vaderland, — noch het
hemelsbreed onderscheid tusschen de zeden van een Volk,
dat onder de regering der laatste Valois gebukt ging, en
die eener kleine Natie, welker opkomst dagteekent van
de bescherming van het Huis van Oranje, van haren over-
gang tot het Hervormde Geloof; — noch het eene, noch
het andere is genoegzaam, om die zoo volslagen anders
gewijzigde rigting van beide Vernuften te verklaren. Wij
hebben er den grootsten afkeer van iemand te verketteren;
maar het is ons onmogelijk in Montaigne niet het gemis
van dat Godsdienstige beginsel op te merken, waarvan bij