Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
Ood roep ick tot zyn hulp ; God die my heeft bevolen
Mijn vyand wel te doen ; want selver soud ick dolen.
En in den doncker gaen, gund ick myn naesten quaed
En sultte syn ellend met Christeloosen haet.
Maar genoeg, maar te over misschien ten bewijze, hoe hij
in alles van God begon; — welk eene harmonij er zjjn
leven aan had dank te weten; hoe zeer zijn voorbeeld ook
nog in onze dagen navolging verdient: wij zullen het zien,
wanneer deze eerste proeve u den lust niet heeft benomen,
ons bij eene verdere beschouwing van het Cluys-iverck
te volgen.
Schalk als hij was, heeft Constantyn Huygens van het
ontwaken uit eenen zoeten droom gezegd:
'tis seker, dat er wel een traentjen uyt het oogh moet,
In 't heugen waer men was, in 't voelen waer men is!
Echter zoudt gij vruchteloos het Cluys-werck doorloopen,
Lezer! om die waarlijk fraaije regels, om die echt men-
schelijke gedachte te vinden, — des grijsaards oordeel
over dezen slechts halfbewusten toestand is natuurlijk
door den veranderden aard zijner droomen gewijzigd. Wij
zouden de plaats, waarin hij die in dit vers ij delheid
noemt, voor u afschrijven, indien het in ons plan lag u
eene reeks van uittreksels uit het Dichtstuk te geven, —
indien wij er niet naar streefden den lust bij u op te
wekken zelve Huygens te bestuderen. Of zij, wier beroep
hen verpligt, wat zeggen wij? wier betrekking hun ver-
gunt hun leven aan de studie onzer Taal en onzer Letteren
te wijden, of zij zich, ter opwekking van dien zin voor
de Dichters onzer gulden eeuw, niet bloot bepaalden tot
eene uitweiding over hetgene zü zouden kunnen, indien
zij wilden! Opregt gesproken, hoe gaarne zouden wij onze