Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
lachten den jeugdigen echtelingen aan; — alvorens hunne
kinderen nog geboren waren, baden zij, in den aandoen-
lijken eenvoud van Huygens' Godsdienstige Poëzij: „Laat
„ze dyn zijn, Heere!" Het woord is naauwelijks over
hunne lippen, of de toestand der gemeente staat hun voor
den geest, de in die dagen door geloofsgeschillen onzalig
verdeelde gemeente; wie herkent niet den man, die van
kindsbeen af geleerd had, dat er harmonij moest zijn
tusschen woord en daad, geloof en leven, wanneer hij
bidt om Leeraars, die hunnen heiligsten Herder mogen
gelijken in ijver voor de Godsdienst, en hij er, van de
leerstellingen gewagende, bijvoegt:
„Maer voor 't best verdedighen,
„Leert se leven soo sy leeren,
„En met weldoen wel bekeeren,
„Seggen heeft geen seggensmacht,
„Daer 't de segger eerst veracht.
„Voordoen is geweld van reden,
„Die het keijen hert kan kneden
„En dyn vleeschgeworden WOORD,
„Werd gezien, gelyck gehoord I"
De bede voor den verdraagzaamste, voor den meest be-
minde onzer Vorsten, voor Huygen's liefsten Meester,
volgt haar op: wie Frederik Hendrik een lang leven
toebad, wenschte het heil des Vaderlands! Maar voor
menschen als Huygens is de aarde slechts een oefenperk
voor den hemel, en eene bede om uitbreiding van Gods
Kerk moest hem van het harte; het zij tot zijnen lof
aangemerkt, dat zij niets bekrompens, niets uitsluitends
had. Verre van als Wijsgeer Hooft te evenaren; ijveriger
dan deze welligt in het voorstaan zijner Kerkleer, droeg
hij echter geenen volgeling van Rome een kwaad hart
toe; of zong hij niet: