Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
Verr van mijn kinderen zy 't roeckeloos verquisten,
'k Had beter niet geweest, dan dat sy 't van my wisten;
Maer nuttelick gespilt naer Börsen grond en macht
En heeft noyt wijze Mann verwesen noch veracht.
Vier sonen heeft my God, en 't Vaderland geschonken.
En soo 'teen Vader voeght, ick derv'er wat meê proncken;
Mijn sorgen hebben haer door wetenschap en deughd
Voorspoedelick geleidt tot door de tweede jeughd,
En 't sullen Mannen zijn als ick 'er niet sal wesen;
Daer zijn mijn plighten uyt: God, Vader van de "Weesen,
Beveel ick haer bestier, met eene süss daer toe;
Daer bid ick allen voor, als ick voor allen doe:
Besteden sy het klein, dat ick haer naer kan laten,
In soeten teer naer neer, en vrolickheit met maeten,
Sy hebben 'tljjdehck; en die 'tons gonde leeft.
Die niet te leur en stelt dan die hem eerst begeeft.
„Hoe," roept hij uit in het Dichtstuk, dat voor ons ligt,
„het luidt of wg elkander nu nooit meer zien, en echter
„scheidt ons meer ééne straat, — als wij in Parijs woon-
„den, heetten wij naaste buren!"
Maar als ware ook hij van gevoelen geweest, dat men
der kwaadsprekendheid, ja den laster zelfs, te veel eers
aandoet, door dien te wederleggen, wendt hij zich eens-
klaps op nieuw tot den vriend, die hem vroeg, hoe hem
zijne eenzaamheid geviel? Wat anders kon het antwoord
zijn, dan dat de plooibaarheid van zijnen geest hem uit-
muntend te stade kwam? Of had ik zonder deze, vraagt
hij op zijne beurt met eene aardige woordspeling:
my soo licht ge wendt, soo veel gewent?
Best sal hy my verstaen die hof en leger kent.
Cluys-Werck, V. 111, 112,