Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
het volgende rekenschap verschuldigd is, waartoe het
leefde en wat het leed! Hoe ongelijk aan het duister,
waarmede de groote mannen onzes tijds hun verleden
omsluijerden! De gedachte werd onlangs bij ons verleven-
digd door eene plaats uit het Werk van Beets over van
der Palm : „Hij sprak ongaarne van dien tijd, hij ge-
„waagde er slechts van als: „in de dagen toen ik keesde.""
Wjj hebben een doorluchtig voorbeeld aangehaald, dewijl
dit kwaad kan stichten. Of rust op ons allen als men-
schen, als burgers, als Christenen, niet de verpligting de
som van levenservaring, staatkundige verlichting, christe-
lijke liefde te vergrooten, al ware het door de bekentenis
onzer dwalingen? „Vergetelheid der politieke twisten!"
roept men, als zouden zij, zoo men de asschen oprakelde,
weder in lichtelaaije vlam uitslaan; maar de Vaderen
werden onder het bestuur der Voorzienigheid niet geblaakt,
dan opdat de kinderen mogten worden gelouterd! Helaas!
wat is zedelijke moed eene zeldzame gave, ook bij de rijkst-
bedeelden onzer natuurgenooten! — Wij noemden de op-
merking van Huygens eene dubbele les, en waarderen de
tweede in de humaniteit, waarmede hij zich zeiven eerst
bestraft, om het regt te hebben het fluks de jonkheid te
mogen doen. Hoe geheel in den geest des mans, die zijn
Kostelick Mal aan Cats met de zelfveroordeeling besloot:
„dat hij te veel van 's werelds droom had verteld," hij,
„die zelf nog zoo diep in het droombed lag en „maelde!"
Hoe volkomen in harmonij met het vers, dat hij — waar-
schijnlijk twintig jaren vroeger dan het Cluys-werck ge-
dicht — aan Sommige Predickers rigtte, een behartigens-
waardig spreekwoord ook nog in onze dagen, bij zoo talrijke
proeven van wanbegrippen over uiterlijke welsprekendheid.
Hij begon met de heusche opmerking, dat de Leeraars zich
zelve niet zagen, dat spiegels in de kerk buiten eigenschap
waren. En de gebreken zelve, die hij in hen gispte, hij