Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
hij gehad had in dien nacht, na dat hij Kornelia voor 't eerst
had gezien: — weder zag hij de Heilige Cecilia in haar
ijspaleis versmelten. Hjj poogde zich echter te bedwingen :
en, het hoofd schuddende, antwoordde hij:
„Gij meisjes schept er toch altijd een zonderling ver-
maak in, u in treurige voorstellingen te verdiepen. Ik
beken u oprecht, geen genoegzame geestkracht te bezitten,
om het lot van Dr. Roscius te benijden: en," vervolgde
hij, terwijl hij poogde in den schertsenden toon te vallen,
„ik hoii het voor als nog met de beemd, bezaaid met
rozen."
„Dat pleit niet voor uw ongeduld om gehuwd te zijn,"
zeide Junius; „want g|j zult nog eenige maanden moeten
wachten, eer de rozen ontluiken."
„Ik dacht/' zeide Mattheus, „dat gij, als Moskoviet, de
voorkeur aan het ijs zoudt geven, 't Is immers in uw land
winter gedurende negen maanden van de twaalf."
„Niet in mijn vaderstad Moskou," antwoordde Winius:
„maar wat daar van zij, waar ik mijn lieve Kornelia bij
mij heb, is 't mij lente en zal het overal lente blijven; —
doch waarom zet de voerman zjjn paarden zoo aan?"
„Ha! zoo gaat het eerst recht vermakelijk!" riep Johanna,
van vreugde in de handen klappende.
„Vermakelijk of niet," zeide Mattheus, „ik wenschte wel,
dat de voerman er wat minder den zweep over leide. Ik
zie geen noodzakelijkheid in dien spoed,"
De voerman scheen er anders over te denken. Men was
nu op het Leydsche Meir gekomen, waar de baan smaller
en meer bezet was met rijtuigen, waarvan er een paar
vlak voor den bolderwagen reden, en dezen niet wilden
laten voorbij komen: een tijd lang hadden zij met elkander
geharddraafd, toen de Amsterdamsche voerman, wiens eer-
zucht geprikkeld was, er een einde aan willende maken,
zijn paarden aanzette om de anderen vooruit te raken.