Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Ook hier bleven hen de drukte en 't gewoel vergezellen.
Nu eens kruiste men zich met een nederige turfkar of
een wagen met hout beladen, dan weder met een zwierig
speelwagentjen, door fraaie schimmels getrokken: nu eens
meldde het vrolijk geluid der bellen de komst aan eener
narreslede, dan was het een prikslede of een zeilwagen,
die pijlsnel voorbi] schoot. Men zag er den schipper, in
't grof wadmer uitgedoscht, met de ruige muts op 't hoofd;
den zeeman met zijn toppershoed: de dorps-bewoners in
hun schilderachtige kleederdracht, op schaatsen, alleen of
bij troepen, wedjjveren om elkander vooruit te komen:
en tusschen hen in, op dat ijs dat alle standen gelijk
maakt, den deftigen burgerzoon en den rijkuitgedoschten
hofjonker, van wiens breeden hoed de cierlijke pluimen
bevallig achteraan golfden op den adem van den wind.
Het was een steeds afwisselend, steeds even vermakelijk
tafereel van drukte, beweging en vrolijkheid, en niet
weinig stof tot scherts en lach verschafte het aan onze
tochtgenooten. Junius kon niet ophouden zijn genoegen
te betuigen, weder eens een wintertafereel te zien, geljjk
Holland alleen die opleverde, en hoedanige hij zoolang
gemist had: "Winius verhaalde van de sledevaarten in
Rusland, waarover Mattheus hem telkens nieuwe vragen
deed: Johanna gaf gedurig kreten van blijdschap over al
wat zij zag, en plaagde den jongen Pool, beweerende, dat
men in zijn land niet van schaatserijden afwist. Kornelia
alleen zat stil en peinzend; doch wie, die haar kende,
wie, die wist hoe het gevoel van geluk zich nimmer in
luidruchtige bewoordingen uit, zoii haar een andere ge-
moedsstemming hebben kunnen toewenschen?
„"Wat was dat toch," vroeg op eens Junius, „dat geval
waar "Vondel van sprak? Hij noemde Roscius; — doch
ik ben zoo lang uitlandig geweest, dat ik niet meer weet,
waar hij op doelde."