Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
424
ren? Maer wat vraegh ick, wie het is; 't is my nu ge-
noeg bekent. Gelooft, dat de persoon, al swijght UE.,
selve niet en laet sich des te beroemen. Ach, me lieve
Helionore, zal UB. verstandt sich laten verkloeken door
de boosheit van eene, die van enkele afgunst in dit stuk
gedreven wort, ende die nevens de daeghelijksche ende
welverdiende smaet van de haeren, noch vreest, zoo U E.
beter doet, dat men haer verwijten sal het onderscheit tus-
schen U E. wjjsheit ende haere wulpsheit ? Ach, opent
doch de ooghen van U E. vernuft, ende besiet oft raed-
saem is, tot U E. eenighen raedt te gebruiken diegeene,
die sich selve soo quaelijk heeft geweeten te raeden, doch
er reeds berouw af draeght. Ach, opent se doch, ende
met eenen U E. harte aen deeze mijne redenen, die
gesult zijn in mijn traenen ende ondertekent met mijn
bloedt 1). Traenen gestort wt deernis, die jck heb, zoo met
U E. ende de verdooltheit van U E. sinnen, als met my
selven, bloedt ten besten van U E. tot sijnen laetsten
druppel toe. Zoo UE. eenigh gevoelen heeft van liefde
oft hartelijkheyt, ick bid ende beswere deselve, door al
wat haer lief is oft ter harte gaet: en lijdt niet, dat de
kus, die jck op 't laetste van UE. ontfing, zy geweest
een kus om my ter doodt te leveren, gelijk die van Judas
zijnen meester; maer hebt liever UE. beloften ende ge-
moet te quyten, met het behouden van soodaenigh eenen
dienaer, dan 't selve te beswaeren met moorddadigheit
tegens U E. toesegginge; ende zeynt my by dese bodinne
het woordt van geneesinge, oft wel eender opwekkinge
van den doodt. Want jck en zie niet datter anders yet
menschelijk maghtigh is, om mijnen sterfdagh te stuyten.
Hierop zy de goddelijke rede U E. raedsvrouw, ende de
goedertieren God gunne U E. 't gebrujken van den geest
1) Van Vloten teekent hierbij aan: „Tranen zoowel als bloed
■wijzen zich nog heden ten duidelijkste uit."