Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
418
ghen, moet'er nootlijk plaets grijpen. Terwijl men op
leedt peinst, is de troost vergeten. Want niemandt kan
meer dan een ding t'evens denken. Dit's een groot
mangel in den menschelijken aerdt: alhoewel de snelheidt
der gedachten ten deele de schaede boet, verdrijvende het
eene gedacht het ander, dat het niet wtslujten kon. Die
fraeje meesters van de konst der heughenisse, eere zoud'
ick hun geeven, konden zy ons de vergetelheidt leeren.
Neen ook. Zoo waerd is my het vieren van de gedach-
tenis der verloorene edelheidt, dat ick eerder wenschte
meer te lijden, dan haerder niet gedachtigh te zijn. Oft
ick in verlies van overlieve kinderen, door rouwe verovert
ben, is UE. bekent. Want afbrek van haeve, alhoewel
wt de kerf gaende, weet U E. dat mijn vroolijkheidt njet
wt haeren tredt deed gaen. i) Die Seneca, zoo fier tegens
de weder spoedt, hoort hem eens kleen zingen, als hy op
Corsica gebannen, den vryeling Polybius smeekt. 2) De
Grascoensche wijzeman, zoo waenlos, zoo oordeelvast (heb
ick eenigh oordeel) dunkt dat er geen zon voor hem op-
gaet, sedert den ondergang van zijnen Estienne de la
Boëtie. U E. vergeve dan aen mijn gemoedt de ver-
slaeghenheit, dat op veel nae niet, gelijk die helden, verzien
is met kraft van vernuft, oft waepen van geleertheit, en
verbidde t'mijnen troost den goedertieren God, die
1) Hg had toen een aanmerkelijk geldverlies moeten lijden.
2) Seneca's Troostsohrift aan Keizer Claudius gunsteling Poly-
bius, over den dood van diens broeder; hij zat toen zelf op Corsica
gebannen. Hierin is Seneca zeer ongelgk aan den man waarvoor
men hem anders kent, b. v. uit dat andere Troostschrift, aan zijn
moeder Helvia; z65 zeer dat de echtheid van dit werk, als onbe-
staanbaar met Seneca's bekend karakter en zgn beginselen, meer-
malen betwist is.
3) Essais {Ed. Ch. Louandre) Tome 1, Livr. 1 Chap. XXVII
De VAmitié.