Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
ik niet gebonden aan niija winkel, ik trok ook eens uit;
maar och! sedert de dood van mijn goede vrouw komt
alles op mij neêr."
„In de daad, mijn lieer!" zeide Winius, die zag, dat
Kornelia verbleekt was bij de herinnering van het gebeurde
met Roscius, „het is mij onbegrijpelijk, hoe gij, bij zulke
drukten, nog tijd vindt, den Nederduitschen zangberg zoo
rustig en vlijtig te blijven opbouwen. Daar is nu weder
uw Gysbreght van Aemstel! ik heb u nog geen dank ge-
zegd voor het dubbel genoegen, dat ik drie weken geleden
heb gesmaakt bij de vertooning, en sedert herhaaldelijk
met de lezing van dat kunstjuweel. Mijn zoete Kornelia
kent den droom van uw Badeloch reeds van buiten en"
voegde hij er fluisterende bij, „zij zegt hem zoo schoon
op, dat ik haar reeds heb moeten verbieden, 'tweêr te
doen. Het trekt haar aandoenlijk gestel te veel aan."
„Zoo 't stuk u behaagd heeft," zeide Vondel, „dank
dat aan de raadgevingen van den Heer Vossius."
„De nieuwe Schouwburg kon niet beter worden inge-
wijd," hernam Winius: „en ik voorspel u, dat uw stuk
vertoond zal worden, zoo lang er een in Amsterdam be-
staat. Het is voortaan onafscheidelijk van den roem der
waereldetad."
„Hier heen! hier heen!" riep Matheus: „hier is ons
rijtuig."
Een ruime bolderwagen, van zoodanig fatsoen als, nog
voor dertig jaar, in sommige onzer Gewesten in zwang
was, reed, met twee fiksche paarden bespannen, eene der
stallingen uit: het gezelschap besteeg dien, en, na van
den dichter en van Sytjen afscheid te hebben genomen,
reed men op vluggen draf naar den Overtoom, en van
daar den Sloterweg en het Nieuwe Meir op. — Weldra
bevond zich het rijtuig op den breeden plas en volgde de
spiegelgladde baan, die dwars daaroverheen verder voerde.