Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
gezelschappen, die heden zich met zoodanig oogmerk op
weg hadden begeven, was er een, dat uit lieden van onze
kennis bestond. Daar zag men, in warm bont en dichte
mantels gehuld, Mattheus, Kornelia en Johanna Vossius;
hun oom, de geleerde Franciskus Junius, die eenigen tijd
hier te lande had doorgebracht: voorts onzen jongen Pool:
en, aan Korneliaas zijde, den gelukkigen Winius. De tocht,
dien zij gingen ondernemen, had een tweeledig doel:
vooreerst zou men Junius tot Lejden brengen, van waar
hij zich naar den Briel dacht te begeven om naar Enge-
land, bij zijn beschermer, den Hertog van Arundel, terug
te keeren: — vervolgends zouden de overigen naar's-Graven-
hage gaan, waar Winius zijn aanstaande bruid hoopte
voor te stellen aan zijn begunstiger, den Poolschen Gezant,
en z|j haar verloofde aan hare moei de Brune en aan
haar broeder Franciskus, die er de rechtspraktijk uitoefende.
Het Haarlemmer Meir was sedert eenige dagen zoo
sterk toegevrozen, dat de zwaarst beladen vrachtwagens
er over heen reden, en de jonge lieden hadden besloten,
daarvan gebruik te maken, om, op de aangenaamste wijze
en langs den kortsten weg, hunne reis te volbrengen.
Zoo stapten zij, onder vrolijke scherts, de poort uit,
gevolgd door het trouwe Sijtjen, die een trommel met ver-
snaperingen droeg, benevens eenige tapijtjens, bestemd om
de voeten warm te houden voor tocht.
Daar ontmoette hun Vondel op het plein: „Wel!" zeide
hij, hen even staande houdende, „ik zie, dat gaat er op
los. Zorgt maar, dat gjj de goede baan houdt en denkt
om Dr. Roseius. 't Is juist gisteren veertien jaar geleden,
dat hij met zijn vrouw in 't ijs zjjn graf vond."
„Welke nare denkbeelden haalt gij daar op, vader
Vondel!" vroeg Mattheus; „het ijs is een voet dik en zou
huizen kunnen dragen."
„Nu!" zeide Vondel: „'twas zoo niet gemeeud: ware