Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
40 i
so weinig ken ick sien, en soo ick je stem niet kost, ik sou
je nyet kennen. Dats gien wongder, Geertjebuur, seydi,
wantet is nog donker. Wel dat is goet, Wynbrantbuur,
seydick, ick was bang datter an men ogen scheelde. Maer,
seydi, hebje gusteravent oock beswarende kost egeten?
och neen, buurman, sfydick, een kommetje melck, met wat
beschuyt daer in ebrockelt, en, laet sien, ja, een kleyn stuckje
yan de bokkendemeels kceck met stroop van onse Joosje.
Soo veul te beter, Geertjebuur, seydi, je moet eeten;
ouwe luy motten eeten, of et hagje laten glyen. Maer
Wynbrantbuur, seydick, wat is men siekte dan, dattet eten
daer goet veur is? wat sei ick je segghen, buurvrou,
siydi, je siekte is ouderdom, en verval kragten. Watou-
derdom, srydik, wat verval van kragten? ick loof datje
Domene esproken hebt, die praet mee soo, jy luy oor-
deelt naert uyterlycke, maer ik ken me krachten self et
best. Ontstelje niet, Geerte lief, seydi, daer is nyet slim-
mer veurje as dat. En dat dagt ik ook, menheer de Spek-
tater, en bedaerde me wat, hoewel ik hiel quaet was.
maar, seidick, Mr. Wynbrant, datje men iens en gat in de
narm stack, dat zou geloof ick wat deurstraling in me bloet
maken. Dat radick je nyet, buervrou, seydi, je hebt gien
druppel bloet te veul, en 't sou beter wesen, dat m'er
wat ingoot, as dat m'er wat uyt tapte. Wiljeme dan niet
laten, Wynbrant, seydick ? Neen, buervrou, seydi, om gien
ghelt van de worrelt. Wel dan kenje wel weer na huys
gaen, seydick, wat doeje dan hyer? Me lieve menheer
de Spektater, ik kenje niet seggen, hoe die menssen me
hier plaegen, tis ofse me met kracht en gewelt doot wil-
len hebben; oock bin ik na die iyt nyet veul beter e wor-
den, dat Mr. Wynbranten schuit is, datty me nyet heyt
willen laten, maar syns ick Mr. Jochemius lest esproken
heb, bin ik vry wat luchtiger eworden. Ik sei et jou oock van
stuckje tot beetje gaen vertellen, want hy heyt men eseyt