Boekgegevens
Titel: Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Auteur: Bosch, J.H. van den
Uitgave: Utrecht: H. Honig, 1896
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 08-239
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202619
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Leermiddelen (vorm), Bellettrie (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Prozastukken voor de hoogste klassen van 't gymnasium
Vorige scan Volgende scanScanned page
401
moeder H niet geven, dan zal ik het her geven ; Is H kwalyk ge-
zeid? Zie ik weet dat aan Jacob de som van duizend Ryks-
daalders toegedogt is, en die zal zy ook hebben, en hoor Zusje
Keetje, daar zei jy geen schaa by lyden, en als jy maar een
hupsch borst tot je vryer krygt, al had hy geen roode duid in
de waereld, zo zei ik je 't zelfde geven. Hier op veranderde
't heele gezelschap van gelaat, en voornamentlyk Jacob,
die op 't eerste zeggen van Motje de doodverf had gezet,
even als een misdadiger die zo even zyn vonnis ontfangen
heeft; Dog dewyl ieder eenigen tyd lang bedeest bleef, her-
nam besje het woord: Wel hoe sta je lui zo op men en kykt,
je denkt ummers niet, hoop ik, dat Mofje zo een milde bui heeft,
om dat ze een glaasje te veul gedronken heeft; dat ik zeg, dat
meen ik, kom laat maar een Notaris halen, om het te beschry-
ven; dat ik nouw doe, heb ik allang in't hoofd gehad, want
ik ben oud, en niet gewend rykelyk te leven, zo dat ik men
geld log niet verteeren kan, en of jelui't nou of na myn dood
hebt, dat's ummers evenveul; Nauwlyks had zy dit gezegt, of
Jacob zig zelf ontrukt door zo een onverhoopt voorval, vloog
Motje al schreyende om den hals, ik wenkte Agnietje dat
ze 't zelfde zou doen, die hoewel dodelyk ontsteld, van die
pligt zig met een ongemaakte en tedere dankbaarheid kweet,
waar in zy van ons allen gevolgd wierd. De tranen ontlie-
pen my tegens wil en dank, zo wel als d'anderen. Motje
schreide mee van vreugd, om dat ze zo een goede zaak
verrigt had, en ik kan u verklaren dat ik in myn schreyen
een veel gevoeliger en inniger vergenoegen smaakte, als in
ons voorig gezang. Ondertusschen drong Motje hard aan op
't halen van een Notaris, en hoewel ik zulks onedelmoedig
oordeelde, en als een soort van wantrouwen op 't woord van
de goede sloof, most zulks, of wy hoog of laag sprongen,
geschieden; vermids zy bybragt, dat, wyl ze geen andere
Vrienden hadde, als die tegenwoordig waren, 't huwlyk
met een nog den zelfden avond kon geslooten worden.
26